‘In de nacht kwamen de beelden… ik werd er gek van!’

FreddyVaatstra2 DJvDklPanorama, 24 april 2013

Freddy Vaatstra (50) had het voor elkaar. Gezin, mooi huis, auto voor de deur. Nu zit hij in de schuldsanering en woont hij alleen op een flatje. Alles is terug te voeren tot die zaterdagochtend toen hij het lichaam van zijn 16-jarige zusje Marianne vond in dat Friese weiland. Sinds de aanhouding van Jasper S. krabbelt hij weer op. Panorama volgde Mariannes oudste broer bij het proces. ”Ze lag daar zo zielig. Weerloos. En ik had haar niet kunnen beschermen.”

Natuurlijk. Het was zijn eigen keuze om in 2008 achter het stuur te kruipen met drank achter de kiezen, hij is de eerste om dat toe te geven. Maar de Freddy van voor 1 mei 1999 zou nooit zo stom zijn geweest. ‘‘Ik was heus wel eens boos om een boete. Maar verder had ik geen moeite met de autoriteiten. Nu had ik er echt een schijthekel aan gekregen. Als ik in de auto stapte, deed ik niet eens mijn gordel om. Het kon me niks meer schelen. Voor die tijd zou het niet eens bij me zijn opgekomen. Rijden met drank op? Nooit.’’

 

Maar hij deed het, driehonderd meter was het van de kroeg naar zijn huis, en hij werd gepakt. Twee keer zelfs, op dat kleine rotstukje. Rijbewijs kwijt. Freddy kon een cursus volgen om het terug te ‘verdienen’, maar dat vertikte hij. ‘‘Ze konden van mij de hoogste boom in. Politie en justitie waren mijn vijand geworden. Ik was woedend, gefrustreerd. Ga de moordenaar van mijn zusje maar vangen. Houd je daar maar mee bezig, dát dacht ik.’’

Hij vertelt het op zijn flatje in Zwaagwesteinde, of: De Westereen, zoals het dorp sinds een paar jaar officieel heet – de Friese naam. ‘‘Een echt mannenhuishouden’’, glimlacht hij, zich bijna verontschuldigend. Weinig frutsels. Aan de muur hangt een kunstwerkje van dochter Vera van elf, een hartje met een gedicht erop: gek geboren, gek gebleven, gek op jou, mijn hele leven. In de boekenkast prijkt een ingelijste foto van Marianne.

Freddy kiest zijn zinnen zorgvuldig, ook al heeft hij het verhaal al zo vaak verteld. Weloverwogen. Soms zichtbaar geraakt, dan weer glimlachend omdat hem een mooie herinnering te binnen schiet. In gedachten is hij weer terug in 1999, het is donderdagavond, 29 april. Het wordt een fantastisch weekend, zegt tegen zijn vriendin. Er is prachtig weer voorspeld, en Koninginnedag valt gunstig, een lekker lang weekend. Kan niet beter.

En dan ineens is alles anders.

De zaterdagochtend na Koninginnedag belt zijn moeder hem wakker. In paniek. Marianne is net thúskaam, moatst helpe sykje, zegt ze, kom helpen zoeken, Marianne is niet thuisgekomen na het stappen.

Dit is slecht nieuws, weet hij onmiddellijk, en schiet in zijn kleren. Onderweg krijgt hij telefoon: hij moet naar Veenklooster komen, aan de Keningswei. Even later ziet hij daar Mariannes vrienden op het fietspad staan, zijn vader in het weiland. En daar, in het gras, ligt zijn zusje. Halfnaakt, half voorover. Hij raakt haar aan, ze is steenkoud. ‘‘Ze lag daar zo zielig. Weerloos. En ik, haar grote broer, had haar niet kunnen beschermen.’’

Overleven

In eerste instantie komt hij nauwelijks toe aan verdriet. Het verantwoordelijkheidsgevoel overheerst. ‘‘Mijn broer en drie zussen moesten gebeld, ze moesten allemaal bij onze ouders thuiskomen, voor ze het van iemand anders zouden horen. Ik dacht alleen maar daaraan, misschien omdat ik de oudste ben van het stel. Heel praktisch. Nu denk ik: misschien was ik alleen maar aan het overleven.’’

Ze werden geleefd in die tijd, zegt Freddy nu, terugblikkend. Een paar dagen na Mariannes dood zit het hele gezin bij elkaar, herinneringen op te halen, er wordt veel gehuild en veel gelachen. Zo veel herinneringen zijn er aan het nakomertje, het zonnetje in huis. Want zo was ze: altijd vrolijk, altijd leven in de brouwerij. ‘‘Als ze geen actie had, ging ze ernaar op zoek.’’

Marianne was een populaire meid, veel vriendinnen, altijd met kleren bezig, met make-up. ‘‘Gewoon, van die meidendingen. Ze zou examen doen en naar de kappersschool, was aan het sparen voor de vakantie. Ze had zo’n zin in de zomer.’’

FreddyVaatstra5 DJvDkl

Ze scheelden twintig jaar, de oudste en de jongste – toen zij geboren werd, was Freddy net getrouwd, op zijn trouwfoto’s staat mem Vaatstra met een dikke buik. ‘‘Vanwege het leeftijdsverschil – met de jongste scheelde ze twaalf jaar – groeide Marianne groeide min of meer op als enig kind, ze had meerdere vaders en moeders. Ik zag haar elke dag als ik mijn ouders de krant ging brengen. Ze kwam vaak langs, ze was al vroeg tante, gek op haar neefjes en nichtjes. Ze was echt ús Marianne. Ik stopte haar wel eens wat toe, de anderen ook trouwens. Johan, mijn broer, haalde haar vaak op na het stappen. Hij heeft er heel lang last van gehad dat ze hem op die laatste avond niet gebeld heeft.’’

Behalve verdriet en woede zijn er ook veel vragen, ze blijven aan hem knagen, de vele jaren na de moord. Want wie deed dit? En waarom, in godsnaam, waarom? Al tijdens de stille tocht, een paar dagen na Mariannes dood, vraagt Freddy zich af: loopt de dader hiertussen? Wie is het, woont hij hier? Als er meisjes worden lastiggevallen, gaat het hem altijd even door het hoofd: misschien is het hem wel. Hij slikt zijn vragen in, houdt zich afzijdig. Ook als velen in de omgeving zich laten meeslepen door de hetze tegen asielzoekers. Ook als de wildste complottheorieën de ronde doen.

Freddy begint voor zichzelf als stukadoor. Het gaat zakelijk goed, hij trouwt, krijgt een dochter, bouwt een huis. Alles mooi op orde. Maar langzaam maar zeker verdwijnt hij steeds meer in zijn eigen wereld. Hij stort zich op het werk, mijdt zijn gezin, vrije tijd brengt hij door met voetballen en stappen met de jongens. ‘‘Nu weet ik: het was gewoon een vlucht uit de realiteit. Niemand mocht te dichtbij komen, ik bouwde een muur om me heen. Ik was bang om nog meer geraakt te worden.’’

Zijn dorpsgenoten zien in die tijd een vrolijke Freddy, een joviale jongen die er lustig op los leeft, overal aan meedoet, een druk sociaal leven. De vele uren die hij in zijn eentje op de bank doorbrengt, midden in de nacht, piekerend, terwijl hij de volgende ochtend gewoon weer vroeg op moet, deelt hij met niemand. Bewust, het is te privé.

Vaak is hij wakker rond het tijdstip waarop Marianne vermoedelijk vermoord is. Dan kijkt hij naar buiten en denkt: rond deze tijd is het gebeurd. Maar wát precies? De gedachten tollen in zijn hoofd. ‘‘Ik wist dat ze was meegenomen, verkracht, dat ze zich had verweerd. Dat ze was vermoord. Eigenlijk wilde ik me daar verder geen beeld bij vormen, uit zelfbescherming. Maar de beelden drongen zich op. Ik werd er gek van. En de antwoorden kwamen niet.’’

Op een zondagavond, nu een jaar of vier geleden, vertelt zijn vrouw hem dat ze het niet meer ziet zitten. De strijd om alimentatie wordt voor de rechter uitgevochten. ‘‘Moet je net mij hebben met mijn bloedhekel aan justitie. Mijn ex liet beslag leggen op werk bij mijn grootste opdrachtgever, ik kreeg meteen geen meter werk meer.’’

Dan gaat het snel bergafwaarts: de hypotheek, de energierekeningen, hij kan niets meer betalen. ‘‘Ik had het huis zelf gebouwd, het was amper zeven jaar oud, en nu moest ik het met verlies verkopen. Ik stond met de rug tegen de muur. Zesenveertig jaar was ik, en ik kwam weer bij mijn moeder wonen. De ultieme vernedering. In die tijd dacht ik wel eens: als dit het leven is, dan hoeft het voor mij niet meer. Tegelijkertijd wist ik ook wel dat ik zo niet moest denken. Niet mócht denken.’’

Zijn moeder probeert het wel eens: jonge, soest net ris help sykje, zou je niet eens hulp zoeken, jongen? Maar ja, Friezen houden niet zo van praten en van dokters. ‘‘Ik liep hier al bijna vijftig jaar rond en had het al die tijd in mijn eentje gered, dus waarom nu niet?’’

Freddy  – jeugdige vent, spijkerbroek, t-shirt met lange mouwen, leren koordje met een zilveren balletje om de nek – vertelt zijn verhaal met veel lucht en kwinkslagen. Tussen de afschuwelijkste details door maakt hij soms een grapje. Het maakt hem toegankelijk. Ali B. knuffelde hem na de uitzending van De Wereld Draait Door, vertelt hij lachend. ‘‘Hij zei: jij hebt humor man, kom hier, geef me een knuffel. Haha, daar sta je dan, als nuchtere Fries, te knuffelen met Ali B.’’

Misschien is het wel die humor, zijn positieve levenshouding, die maakt dat hij zich uiteindelijk staande weet te houden. Want langzaam maar zeker begint Freddy uit het diepe dal omhoog te krabbelen. Hij meldt zich bij de schuldsanering en gaat een flatje huren in het dorp. Een paar keer per week eet hij bij mem, hij voetbalt, gaat op stap.

En dan wordt het zondagavond, 18 november, en gaat de telefoon: Freddy’s zus. Het Openbaar Ministerie heeft nieuws zegt ze, er is een aanhouding, het dna-verwantschapsonderzoek heeft vruchten afgeworpen. De sporen die op het lichaam van Marianne zijn gevonden komen overeen met het dna van een 45-jarige boer Jasper S. uit Oudwoude. Honderd procent. Hon-derd pro-cent.

Wat er dán met Freddy gebeurt lijkt haast wel een wonder. Alsof hij een zware jas uittrekt, zo valt er een last van hem af. Al die dertien lange jaren heeft hij op dit moment gehoopt. Zo vaak vroeg hij zich af: komt die dag ooit? En nu is die dag aangebroken. Eindelijk antwoorden. Ein-de-lijk. Niet alleen de Vaatstra’s zijn blij en opgelucht, het hele dorp hangt spontaan de vlag uit. De vlaggen die dik dertien jaar eerder nog deur aan deur halfstok hingen. ‘‘Het is ongelooflijk’’, glimlacht hij. ‘‘Maar sinds de aanhouding slaap ik als een roos.’’

Rechtszaak

Na de aanhouding gaat het snel. Jasper S. bekent. Eind februari dient de zaak pro forma, eind maart volgt de inhoudelijke behandeling. Het hele gerechtsgebouw is voor deze zaak gereserveerd, twee dagen lang: behalve de gewone zittingszaal zijn er extra zalen voor schrijvende pers, voor camera’s, voor politiemensen die de zaak willen volgen. De zitting begint beide dagen om half tien; beide dagen staat er al om kwart voor acht een rij voor de deur. Het plein voor de rechtbank staat vol cameraploegen.

De Vaatstra’s hebben twee dagen eerder al tot in detail gehoord wat er precies met Marianne is gebeurd. Het OM heeft ze bijgepraat, zodat ze op de dag zelf niet voor verrassingen komen te staan. Op het station en in de trein naar Leeuwarden wordt hij een klein beetje verlegen van alle steunbetuigingen en schouderklopjes van dorpsgenoten. ‘‘Eigenlijk had ik het wel kunnen zien aankomen, maar ik heb er gewoon niet bij stilgestaan.’’

De details shockeren de aanwezigen in de rechtbank. Jasper vertelt hoe hij die nacht op de fiets stapte om zijn hoofd leeg te maken. Hij was gefrustreerd en zag toen Marianne fietsen. Do bist foar my, dacht hij, ‘jij bent voor mij’, en haalde haar in. Hij overmeesterde haar met zijn mes, verkrachtte en doodde haar. In paniek, zegt hij. Een opwelling.

Onzin, zegt Freddy. ‘‘Hij ging op pad om te scoren, daar ben ik van overtuigd. Hij wilde seks, ging wel eens vaker op de fiets naar Groningen, naar de hoeren. Maar toen zag hij Marianne. En zij was dichterbij.’’

Het voorlezen van de slachtofferverklaringen is voor hem zonder twijfel het zwaarste moment van de hele zitting, zegt hij. Vader, moeder en twee zussen hebben hun verhaal op papier gezet. ‘‘Er was niemand van ons die niet zat te huilen. Ook al wisten we alles al.’’

Zus Wilma vertelt snikkend hoe zij en haar schoonzus Marianne opmaakten en aankleedden om opgebaard te worden – een sjaaltje om de wond aan haar hals te bedekken. Hoe er een traan glinsterde in de ooghoek van haar leaf lyts suske, haar lieve kleine zusje. Ook zus Ineke vertelt hoe het haar en haar gezin verging na de moord. ‘‘Jij hebt ons in een hel laten leven, en dat is precies wat we jou voor de rest van je leven toewensen.’’

De hele familie Vaatstra is aanwezig in de zaal. Ook Freddy’s 25-jarige zoon en 28-jarige dochter uit een eerder huwelijk zijn er. Tussen de familie en de verdachte zit de volle twee dagen bewaking in de zaal. Aan het eind van de behandeling spreekt de rechter zijn waardering uit voor de Vaatstra’s, die zich ondanks alles zo voorbeeldig hebben gedragen. Freddy snapt het wel. Vader Bauke liet zich in de media wel eens in niet mis te verstane woorden uit over wat hij met de moordenaar van zijn dochter zou willen doen. De inwoners van de Friese Wouden hebben de reputatie nogal licht ontvlambaar te zijn. De moord op Marianne heeft de verhoudingen op scherp gezet, zenuwen blootgelegd die nog altijd open liggen.

Freddy heeft te doen met de familie van Jasper, maar voelt voor de man zelf geen enkele compassie. Als de rechter een ander had veroordeeld, had hij een haar van zichzelf opgestuurd, vertelde Jasper, zodat justitie zou weten dat de verkeerde man vastzat. Hij had het zwaar met zijn daad, maar hield zich stil om zijn gezin te beschermen. Het mes waarmee hij Marianne de keel doorsneed bewaarde hij – als een waarschuwing, zegt hij.

‘‘Dat van die haar kan hij nu gemakkelijk zeggen, maar ik geloof er niks van. Hij had zich toch eerder kunnen melden? En hij had toen ook al kunnen weten dat zijn gezin eraan zou gaan? En dat mes, een waarschuwing? Houd toch op. Een trofee is het. Hij heeft een onschuldig meisje vermoord om aan zijn trekken te komen. En toen heeft hij jarenlang gezwegen, zichzelf, zijn eigen gezin op de eerste plaats gezet terwijl de hele regio, het hele land in rep en roer was. Hoe egoïstisch kun je zijn?’’

En dan nog, zelfs nu hij er gloeiend bij is, nóg geeft Jasper geen volledige openheid van zaken. Omdat hij het niet meer precies weet, zegt hij zelf. Smoesjes, zegt Freddy. Hij verzwijgt dingen om er zelf voordeliger uit te komen. Ik weet zeker dat hij van huis ging met het idee om te scoren. En dat hij niet in paniek handelde. En ik vermoed ook dat Marianne al dood was toen hij haar verkrachtte. Nu zit hij vast, en nog laat hij niet het achterste van zijn tong zien. Heel onbevredigend.’’

Maar goed, zegt hij ook weer, we moeten het er maar mee doen, zijn advocaat voert een charme-offensief, en dat is zijn goed recht, we leven in een rechtstaat. ‘‘Ik kan er heel boos om worden, ik kan mezelf weer gaan lopen opvreten, maar ik weet: daar heb ik alleen mezelf mee.’’

Twee dagen voor de rechtszaak is hij dan toch maar naar een psycholoog gegaan – op advies van zijn advocaat die namens hem een schadevergoeding ging eisen. Een uur lang praatte Freddy daar, een uur waarin dertien lange jaren voorbijtrokken. De psycholoog wist het meteen: hij had een posttraumatische stress-stoornis. En woede, onvrede en verdriet hadden hem rebels gemaakt – het schoppen tegen justitie en politie, een volstrekt natuurlijke reactie. ‘‘Hij zei ook: jij hebt geen behandeling nodig, met jou komt het zo ook wel goed. Hij had wel vaker Zwaagwesteinders gesproken, hij weet dat wij onszelf wel redden.’’

De beide dagen op de rechtbank waren slopend. Hij was kapot. En toch, zelfs op deze dagen liet Freddy zich niet gek maken. Op donderdagavond hing hij op de bank met een bak Chinees. Vrijdagavond had hij een feestje, bij café Hossebos in het dorp. Zaterdagavond een wedstrijd van Heerenveen. ‘‘Ik kan heel goed dingen uitstellen, ze in hokjes parkeren, om ze er op mijn eigen moment uit te halen. Na de rechtszaak wilde ik even iets anders doen. Afleiding. Léven. Ik wist: paaszondag en paasmaandag kan ik uitrusten en bijslapen. En dat heb ik toen ook gedaan.’’

Hij ziet het weer zitten, steeds meer eigenlijk. Hij doet leuke dingen, gaat naar feestjes, trekt op met vrienden. Het contact met Vera is goed, de weekends dat ze bij hem is hebben ze het gezellig en mag zij kiezen wat ze eten. En soms gaan ze samen naar het graf van Marianne, de tante Marianne die ze nooit gekend heeft. Dan leest Vera de kaartjes bij de bloemen die er bijna altijd liggen. Ze weet dat haar tante overleed door toedoen van iemand anders, de details vertelt Freddy haar misschien later nog eens, als ze ouder is en er zelf naar vraagt.

Nog een paar jaar doorbijten, dan is hij uit de schuldsanering. ‘‘En ik wil nu toch maar eens zien of ik mijn rijbewijs terug kan krijgen’’, grijnst hij. ‘‘Mobiel zijn is toch wel handig.’’

Hij opent zijn armen, kijkt om zich heen en zegt: ‘‘Dit is alles wat ik heb. Alles wat hier staat, én mijn fiets. Maar weet je? Sinds de aanhouding van Jasper durf ik weer te zeggen dat ik goed in mijn vel zit. Dat ik denk: kom maar op, wereld. Niemand doet me nog wat. Het leven is mooi.’’

 

18 jaar voor S. – ‘Er moet nu een punt achter’

Afgelopen vrijdag veroordeelde de rechter Jasper S. tot achttien jaar cel voor de moord op en verkrachting van Marianne. Rechtbankvoorzitter Bert Dölle achtte het wettig en overtuigend bewezen dat de nu 45-jarige S. Marianne verkrachtte, haar wurgde met haar beha en haar vervolgens de keel doorsneed. Volgens de rechter heeft S. ruim de tijd gehad om zich tijdens zijn handelingen te beraden. S. is volledig toerekeningsvatbaar verklaard. Het Openbaar Ministerie had twintig jaar geëist.

‘‘IJzingwekkend is het als men op zich laat inwerken hoe eenzaam Marianne in haar laatste momenten moet zijn geweest’’, zei de rechter. ‘‘Uit het oogpunt van vergelding zou elke straf te licht zijn.’’

Freddy Vaatstra is tevreden, zegt hij kort na de uitspraak. Net als bij de inhoudelijke behandeling was ook nu de hele familie aanwezig. ‘‘Het is voor ons heel belangrijk dat de rechter ‘moord’ bewezen heeft geacht. Dat Jasper zelf niet bij de uitspraak aanwezig was, tekent zijn egoïsme. Dat hij wéér niet de feiten onder ogen wil zien.’’

Vrijdagavond maakte Jaspers advocaat Jan Vlug bij Pauw en Witteman bekend dat hij niet tegen de uitspraak in hoger beroep gaat. Daar hoopte Freddy al op – nu kunnen hij en zijn familieleden de zaak afsluiten. ‘‘Er moet een punt achter.’’

De foto’s bij dit artikel zijn gemaakt door Dirk Jan van Dijk

Reacties zijn gesloten.