Wij en zij

Het Noorden is opgegeven! Zo stond het er, het was zaterdag 1 november, zo’n bizar zonnige dag, maar op twitter hingen dikke donderwolken. Man, man, man, wat ging het tekeer. Ana van Es ging weg als correspondent Noord-Nederland en had een pittig stuk geschreven over de relatie tussen het Westen en het Noorden.

De schrijfster vindt niet dat het Noorden kan leegbloeden. Ze vindt wel dat Den Háág het Noorden behandelt alsof het kan leegbloeden. Dat is heel iets anders. En ze heeft gelijk. Want die kloof tussen Noord en West, die is echt. De trein máákt ook een rare knik. De Blauwestad ís ook verre van vol. En al die industrie die er zou komen. En Oterdum. En de gasdiscussie. En alles.

‘Een trap na’, werd het stuk genoemd. Ik dacht: het zal wel aan mij liggen, ik heb iets gemist, dus ik ben het nog eens gaan lezen, en nog eens. Ik vond de trap niet. Als ze al een trap uitdeelt, gaat die volgens mij eerder tegen de schenen van Den Haag, dat af en toe met een zak geld komen om ons stil te houden en een schuldgevoel af te kopen. En dat wij het dan maar mogen uitzoeken.

De Kloof bestaat. De kloof wordt steeds gapender.

De student die zich in het stuk afvraagt of er wel winkels zijn in Assen. Die moet ze wel verzonnen hebben, zeggen de klagers. Eh, realitycheck: die mensen bestaan echt hoor. Sterker: het zijn er best wel heel erg veel. Ik hoorde bij een rechtszaak in datzelfde Assen een journalist van een landelijk medium zeggen dat ze maar met de trein was gekomen, ‘want je weet maar nooit of je daar wel kunt parkeren.’

Wat voor beeld hebben wij Noorderlingen eigenlijk van Westerlingen? Ik vind het tamelijk naïef dat er mensen zijn die niet geloven dat anderen zo dom kunnen zijn.

Ik kan niet in de Randstad zijn zonder dat minstens één iemand vraagt of ik gisteravond al ben vertrokken, als het vroeg is, of ‘moet je nu weer helemaal terug?’, als het laat is. Of: als je in Groningen woont moet je zeker wel heel veel reizen? Of, zoals ik laatst hoorde: ‘Maar hoe kun je voor landelijke bladen schrijven als je in het Noorden woont?’ Dit soort dingen vragen mensen dus echt hè. En dan niet als grapje. En dit zijn dus mensen die wel voor een weekend naar New York vliegen. HALLO WE HEBBEN HIER INTERNET JA!, wil ik dan roepen. Maar dan ben ik weer zo’n humorloze trut. Dus ik maak er maar een grapje van, dat ik de trekker om de hoek heb geparkeerd. Of onderweg drie keer de paarden heb ververst. Maar stiekem denk ik: bloody hell, wat ben jij dom, zogenaamde man of vrouw van de wereld.

Ik heb een collega die door zijn grachtengordelredactie werd gevraagd of hij even naar Heerenveen kon, want hij was in Hoogeveen, en dat lag toch vlak bij elkaar? Mijn eigen toppunt was toen ik door mijn toenmalige chef werd gevraagd of ik even naar Texel kon voor een repo. Die chef zat dus in Amsterdam hè. Met je ‘even naar Texel’.

Gisteren zapte ik nog langs een programma over Leeuwarden waarin de presentator zei: ‘wat is het hier mooi weer! En dat in het verre Lééuwarden!’ Op zulke momenten wil ik een schoen naar de tv gooien. Over hoe ik kook, alle keren dat er lollig wordt gedaan over aardbevingen, moet ik maar helemaal niet beginnen. Die bevingen hadden eens onder de fokking grachtengordel moeten zijn.

De Kloof bestaat.

Ik was zeven jaar correspondent voor de Volkskrant en vond het artikel een groot feest van herkenning. In die zeven jaar was De Kloof mijn dagelijkse praktijk. In het Noorden werd ik argwanend bekeken omdat ik voor een landelijke, lees ‘Westerse’ krant schreef, en het Westen is de vijand. Tegelijkertijd had ook altijd het gevoel dat ik er op de krant nooit echt bij hoorde. In mijn tijd schreef ik al eens een groot artikel over het ‘wij/zij-gevoel’ dat ik dagelijks voelde, of ik nou in Moddergat, Loppersum of Eexterzandvoort of in Amsterdam of Den Haag was. De aardbevingen hebben de verhoudingen zéker harder en grimmiger gemaakt, veel meer dan in de tijd dat ik mijn stuk schreef. Dit is het wij/zij-gevoel voor gevorderden.

Er waren ook aardige reacties, mailde Ana gelukkig terug, toen ik haar complimenteerde met haar stuk. Mensen die zeiden het met tranen in de ogen te hebben gelezen. Die blij zijn dat dit nu eindelijk eens gezegd wordt. Die, net als Ana, en net als ik, heel erg van hun regio houden, en met pijn in het hart de dingen zien die er niet zo lekker gaan, terwijl iedereen erbij staat en ernaar kijkt. Die de strekking volgens mij wél goed begrepen hebben.

Wat wíllen we nou, Noorden? Sinds ik boven de rivieren kwam wonen, probeer ik het zo’n beetje elke dag te doorgronden, maar ik snap het nog steeds niet. Aan de ene kant slaan we onszelf op de borst en roepen we dat we onze eigenheid moeten bewaren. Maar o wee als ‘ze’ denken dat ‘we’ hier alleen maar op klompen lopen en tegen elkaar grommen en dat dat dan onze taal is.

Ik ken Groningers die zeggen dat ze trots zijn op waar ze vandaan komen, trots zijn op hun taal, maar die toch snel Nederlands gaan praten als de trein Zwolle voorbij is, ook als ze maar met zijn tweetjes zijn. Ik ken Friestaligen die hun kinderen bewust Nederlandstalig opvoeden, ‘omdat ze dan later verder komen in het leven.’ Waarom, waarom??? We willen anders zijn, maar toch hetzelfde? We willen er niet bij horen, maar o wee als die ander zégt dat we er niet bij horen, want dan wordt het matten? Zoiets? Wie legt het me uit?

 

 

 

Reacties zijn gesloten.