Karin Sitalsing | Freelance journalist & Correspondent



'Andrea heeft gewoon pech gehad'

09 december 2010   

Volkskrant, 4 december 2010

Noot: dit is het originele artikel. De versie die in de krant kwam, is flink ingekort. Ik plaats hier mijn eigen ruwe versie, omdat die volgens mij beter is.

Iedereen in Ruinen kende haar. Andrea, de enige dochter van Lammi en Roelof Luten – de eigenaars van de herberg in het Drentse dorp. ‘Ik word gewoon moe van al dat gezwaai’, verzuchtte het meisje wel eens als ze uit school kwam. ‘Wees blij’, zei haar moeder Lammi dan. ‘Als je eens in de problemen komt, heb je tenminste mensen die je helpen.’
Op een dag kwam Andrea niet thuis uit school. De volgende dag vond vader Roelof haar. In het bos, gewurgd. Vijftien jaar was Andrea, en ze was in de problemen gekomen. Maar er was niemand geweest om haar te helpen.
Andrea sterft op 10 mei 1993. Heel wat verdachten passeren de revue. Steeds weer is er geen sluitend bewijs. Tot 3 mei van dit jaar. Als een donderslag bij heldere hemel is er een DNA-match. Het DNA dat op het lichaam van Andrea is gevonden, komt overeen met dat van een 41-jarige Hoogevener. Het is een toevalstreffer. De man is veroordeeld voor huiselijk geweld en heeft wangslijm moeten afstaan in verband met de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Dan gaat het snel. Henk F. bekent. Dinsdag wordt de zaak inhoudelijk behandeld.
Natuurlijk. Alles is anders sinds de zaak is opgelost. ‘We kennen nu het verhaal’, zegt moeder Lammi. ‘Eerder was alles een groot vraagteken. Waarom kunnen ze die klootzak niet vinden? Wie is het? Heeft hij een baan? Gaat hij op vakantie? Waarom leeft hij vrolijk verder? Allemaal dingen die door je hoofd heen spoken. Nu weten we: het is niets van dat alles. Hij zit achter tralies.’
Sinds anderhalf jaar verblijven de Lutens (beiden 60) lange periodes op hun landgoed in Hongarije, waar ze twee vakantiewoningen verhuren. Grote verrassingen verwachten ze niet tijdens de rechtszaak. Ze hoorden het hele verhaal al van politie en justitie. ‘Als we alles voor het eerst in de rechtszaal zouden horen, zou het wel heel hard binnen komen. Nu hebben we ons kunnen wapenen.’
En de dingen waar ze al die jaren bang voor was, die zijn er. Want ja, Andrea is verkracht. Daarom moest ze dood, vertelde Henk F. de politie: hij was bang dat het uit zou komen. Het Openbaar Ministerie (OM) legt hem gekwalificeerde doodslag ten laste. Dat is doodslag in combinatie met een ander strafbaar feit – in dit geval vrijheidsberoving en verkrachting. Hij kende zijn slachtoffer niet, vertelde hij ook. Ze was op het verkeerde moment op de verkeerde plek.
Lammi is een harde tante. Sterk. Nuchter. Ze praat gedecideerd en heeft altijd haar woordje klaar. Ook al kort na de moord. Zeven jaar na dato schrijft ze haar boek Thuiskomen – leven na de dood van Andrea. Ze beschrijft de wanhoop die ze voelt. De angst als Andrea niet is thuisgekomen uit school. De woede als ze na haar dood nog post voor haar krijgt. En altijd is daar weer die vechtlust. Ze schrijft dat ze na de crematie een bakje hutspot vindt dat voor Andrea was bedoeld. Er zit schimmel op. Het zal jaren duren voor ze weer hutspot door haar keel krijgt.
‘Het was stikdonker, na middernacht en Andrea, ons enige kind was ergens buiten… ze moest in leven zijn! Omdat ik dat voor alles wilde. HET MOEST!’
Nu, nog weer tien jaar later, zegt ze: ‘De hiaten zijn opgevuld. Wat hij heeft verteld, klopt met hoe Andrea in elkaar zat. Het verhaal is sluitend geworden. We weten nu: het ging niet om haar persoonlijk. Ze heeft gewoon pech gehad.’
De laatste ochtend van haar leven. Lammi weet het nog goed. ‘Andrea kwam beneden en zei: ‘mam, ik heb nou toch zo naar gedroomd. Ik droomde dat ik al mijn vriendinnen kwijt was.’ Welnee joh, zei haar moeder. ‘Je gaat zo naar school en dan zie je al die meiden weer. Niks aan de hand.’ Maar Andrea staarde naar buiten, in gedachten verzonken.
Ze zegt: ‘Achteraf heb ik zo vaak gedacht: hoe kan dat? Waarom juist die morgen? En: had ik er niet serieuzer op moeten ingaan? Aan de andere kant: ik had haar niet kunnen waarschuwen. Ik bedoel: dit zie je toch niet aankomen?’
Zij en Andrea waren altijd samen. Honderduit babbelend, arm in arm de winkelstraten door. Lammi: ‘Mijn moeder zei, na de moord: had je haar maar naar school gebracht. Ik zei: houd daarmee op. Je kunt niet je kind in een glazen kooitje stoppen. Dan is het niet bestand tegen de wereld.’
Die zelfredzaamheid was een groot goed in huize Luten. Op haar zestiende moest Andrea op eigen benen kunnen staan. Potje koken, het huis schoonmaken, de boekhouding. Ze moest zich kunnen redden. Stel dat er iets met Lammi of Roelof zou gebeuren?
Was het beter geweest als háár, Lammi, iets was overkomen, in plaats van Andrea? Het zijn zo van die gedachten die wel eens door haar hoofd gingen. Vragen die mensen wel eens stelden. Nee, besluit ze. ‘Ze heeft pijn gehad, en ze is vast bang geweest, maar niet lang, want het is snel gegaan. Helemaal zeker zullen we dat nooit weten. Zo’n dader zal de feiten altijd afzwakken in zijn eigen voordeel. Maar we gaan er van uit. Ik weet bijna zeker dat ze meer pijn had gehad als ik het was geweest en ze had haar leven weer moeten oppakken.’
En toch, en toch, en toch. ‘Ik had graag mijn leven voor haar gegeven. Snap je hoe dubbel het is?’
Het rouwen hebben ze wel zo’n beetje gehad, zegt Lammi. Het schrijven van haar boek hielp haar gedachten te ordenen. ‘Sindsdien ben ik geen gevangene meer van mijn eigen huis.’
De Lutens realiseerden zich: de ups en downs zullen altijd blijven. Die heb je niet in de hand. Waar je wél grip op hebt is hoe je ermee omgaat. ‘Die keuze heb je elke dag. Elke dag begint de toekomst opnieuw. Natuurlijk kun je ervoor kiezen om altijd in de put te blijven zitten. Maar dat kan je je vrienden kosten. Of je huwelijk. Op dezelfde positieve manier denken we ook aan Andrea. Niet focussen op de nare, maar op de leuke dingen. De grapjes die ze maakte. Haar lach. We hebben heel lang met verdriet en pijn geleefd. Maar het is veel fijner als je je kunt warmen aan de zon.’
Ze genieten weer. Kochten een landgoed in Hongarije. Een nieuwe start. De aanhoudende criminaliteit gaf de doorslag. Toen ze het zoveelste nieuwsbericht over een doodgeschopte jongen op tv zag, was Lammi er klaar mee. ‘Toen zei ik: ik donder op uit dit kutland.’
Ze hadden op zich niks met Hongarije. Maar toen ze deze plek zagen, waren ze verliefd. ‘In eerste instantie zochten we een vakantiehuis, om even weg te kunnen als we dat wilden. Maar we zaten er steeds vaker. Het ritme is daar heel anders. Niet dat gejaagde van hier. De tussenpozen in Nederland werden steeds korter. En het viel ons steeds zwaarder om de draad weer op te pakken.’ Lachend: ‘Wat een oud wijf ben ik hè?’
Lammi en Roelof hadden graag meer kinderen gewild. Tot twee keer toe verloor Lammi een ongeboren kind én bijna haar leven bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Na de tweede keer legde ze haar dochter uit dat ze definitief enig kind zou blijven. ‘Dus jij moet heel voorzichtig zijn, want als er iets met jou gebeurt, is onze toekomst kapot. Dan hebben we niets meer.’ Andrea kroop tegen haar moeder aan. Natuurlijk was ze voorzichtig. Ze knuffelden en bleven een tijdlang tegen elkaar aan zitten. Zes weken later stierf Andrea.
‘Ik haalde Roelof op en we gingen samen een poos bij haar staan. Zo namen we afscheid van onze dochter. Het kind waar we zo blij mee waren. Het kind waar we zo gelukkig mee waren geweest. Het kind dat alles voor ons had betekend.’
Een paardenmeisje, dat was ze. Ze had een pony en las de Penny. Ook van andere dieren hield ze. Ze pakte wel eens een egeltje van de weg om het veilig in een weiland te parkeren. Lammi: ‘Roelof en ik zijn voor de duvel niet bang. Andrea was eerder een beetje timide. Ze haatte geweld en ruzie. Ze keek de kat uit de boom – maar als ze je eenmaal vertrouwde, kon ze heel spontaan zijn. Kinderen konden altijd een potje bij haar breken en ze had ook veel geduld met oudere mensen. Andrea was geen meisje dat je hoefde te sommeren op te staan voor een oud vrouwtje. Dat deed ze uit zichzelf.’
Hadden ze het huis in Hongarije gekocht als Andrea nog had geleefd? ‘Haar dood heeft het zeker makkelijker gemaakt om weg te gaan. We lieten niemand achter.’
Ze mijmeren er wel eens over. Het mooie, populaire meisje met donker haar tot aan het middel zou nu een volwassen vrouw zijn van tweeëndertig. Hoe zou het zijn geweest als ze nog had geleefd? Zou ze iets met paarden zijn gaan doen, zoals ze altijd graag wilde? Zou ze een gezin hebben? Het zit ‘m vaak in subtiele dingen, zegt Lammi: dingen die je niet benoemt. ‘Als we iets leuks doen. Dat het door je hoofd schiet: dit had Andrea leuk gevonden. Hier had ze bij moeten zijn.’
Vlak voor de rechtszaak komen ze naar Nederland. Ze blijven niet lang, zo kort mogelijk. De uitspraak zullen ze in Hongarije horen. Het wordt een doodvermoeiende dag, voorspelt Lammi. ‘Ik denk dat we ’s avonds afgedraaid zijn.’
Voor emoties is ze niet bang. Ze zegt: ‘Het enige wat we nog niet weten, is wat zijn advocaat gaat zeggen. Vast dat hij een slechte jeugd heeft gehad. Maar eerlijk zeggen? Dat boeit me niet.’
In de jaren na Andrea’s sterven ervaart Lammi verschillende keren dat haar dochter contact met haar zoekt. En vaak is de boodschap hetzelfde: ‘Geduld mam, je moet geduld hebben.’ En vaak, heel vaak, denkt Lammi: ‘Misschien wel vandaag. Misschien wordt vandaag de dader wel gepakt.’ Er zijn slechte dagen geweest, vol twijfel. Maar altijd is ze blijven geloven in een oplossing.
‘Ik leef. Roelof leeft. Andrea heeft geleefd. Samen waren wij een heel gelukkig gezin. Dat is iets wat N I E M A N D ons nog kan afpakken.’
 


Postbus 1525
9701 BM Groningen
06-54 28 33 46
karin@karinsitalsing.nl