Poëzie tussen de stellingkasten
30 september 2010
Het is even wennen: voordragende dichters in de Ikea. Een moeders sjokt verveeld voorbij - Birkenstocks aan de voeten, een kind aan de hand en een weckpot in de winkelkar. Ze kijkt verbaasd naar het groepje dat zich om dichter Sacha Landkroon heeft verzameld. Het groepje neemt deel aan de poëziewandeling ‘Poëzie als bouwpakket’ van poëziefestival Dichters in de Prinsentuin. De organisatie van dat festival zoekt elk jaar een verrassende locatie om ‘iets’ met poëzie te doen. Dit jaar is dat dus de Ikea. Past goed bij het thema van dit jaar: Poëzie als bouwpakket.
De deelnemers zijn vooral vrouwen: jonge vrouwen, maar ook oudere dames – kloeke types met makkelijke schoenen. Het groepje snelt van dichter naar dichter, tussen de afdruiprekken door, langs de bureaustoelen, haastend om de gids niet kwijt te raken in de winkelende menigte. Twee dames schrijven met kleine houten potloodjes de namen van alle dichters op, voorzien van opmerkingen. Het zijn Rietje van Overdam (72) en de 68-jarige Tineke van Hemmen uit Stadskanaal.
Als er applaus klinkt, blijft nietsvermoedend winkelpubliek even staan om te zien waar de actie is. ‘Zwartluisteraars’ vlijen zich neer op de bureaustoelen aan de overkant van de ruimte - nog net op gehoorsafstand.
Dat je iets niet per se hoeft te verstaan om het mooi te vinden, bewijst Mishenu Osepa Cicilia. Zij is speciaal uit Curaçao overgekomen om in Groningen voor te dragen. In het Papiaments, nadat ze in het Nederlands heeft uitgelegd waar haar gedicht over gaat. Door die uitleg, en door haar levendige mimiek, snap je de strekking. Rietje van Overdam zit vooraan in de stoelenhoek, zoals trouwens bij alle dichters. Ze knikt mee op de zangerige cadans van de woorden. Als de dichteres haar stem verheft, trekt Van Overdam haar wenkbrauwen op; als de dichteres fronst, doet zij dat ook. ‘Ik neem altijd gedichten mee op vakantie’, vertelt ze even later, wandelend langs wandlampen en plantenbakken. ‘Een boek lees je uit, maar gedichten kun je blijven lezen. En elke keer zie je weer iets anders, lees je weer iets nieuws. Daar kan ik echt van genieten.’
De wandeling door de Ikea vindt ze ‘heerlijk verrassend’. ‘Je hoort dichters die je nog niet kent. Soms roepen de gedichten emoties op, en soms vind ik iets heel herkenbaar.’
Bij dichter Thomas Möhlmann bijvoorbeeld. Tussen rode muren met witte stippen vertelt de dichter dat hij uit een rood nest komt en dat tweederde van de ‘eettijd’ vroeger bestond uit discussiëren. Bij Rietje thuis was dat vroeger ook zo, vertelt ze.
Möhlmann heeft het kinderkamertje waar hij voordraagt verbouwd tot een soort theatertje, zodat iedereen alles goed kan zien en horen. Hij draagt een gedicht voor, gericht aan zijn vader – ooit een gepassioneerd politicus, nu veel rustiger. ‘Laat je tanden weer eens zien’, vraagt de bezorgde zoon zijn vader. Zo kent hij hem niet.
Hij vindt het een goeie zaak, voordrachten op onverwachte plekken. Zelf stond hij laatst nog in Artis en in een kleedhokje van de Bijenkorf. Zo bereik je nog eens mensen die terugdeinzen voor poëzie omdat ze veronderstellen dat de kunstvorm elitair is. Poëzie wordt vaak als eenheid gezien – onterecht, zegt hij. Net als muziek is er altijd wel iets wat je aanspreekt. ‘En deze voordrachten zijn intiemer. Je hebt als het ware je eigen kleine zaaltje.’
Dan klinkt de intercom. Judith van zeven staat bij de afdeling verlichting. Ze is haar ouders kwijt.
9701 BM Groningen
06-54 28 33 46
karin@karinsitalsing.nl