Basisscholen in Noord-Nederland presteren onder maat
17 februari 2009GRONINGEN De cijfers liegen er niet om: het gaat slecht met het basisonderwijs in de noordelijke provincies. 17 procent van de basisscholen in Groningen, Friesland en Drenthe presteert zwak tot zeer zwak, stelt de Inspectie van het Onderwijs vast.
Landelijk ligt dit cijfer rond de 10 procent. Staatssecretaris Dijksma heeft afspraken gemaakt om de achterstanden aan te pakken. Onduidelijk is echter waarom de prestaties in het Noorden zo achter blijven.
De inspectie legt de schuld voor het eerst bij de leerkrachten. Zij zouden moeite hebben met de combinatieklassen, waarin kinderen van verschillende leeftijden samen zijn ondergebracht. Dit fenomeen komt vooral in dunbevolkte gebieden voor. Ook zouden ze te weinig van hun leerlingen verwachten. Maar dan nog: waarom specifiek in het Noorden?
Een rondgang van de Volkskrant levert enkele aanwijzingen op. Een van de oorzaken die wordt genoemd, is de braindrain: de kennisvlucht als gevolg van het economische klimaat in het Noorden. De bewoners die achterblijven, krijgen te maken met een uitzichtloze situatie.
Met als gevolg een gebrekkig verwachtingspatroon bij de ouders en de leerkrachten. ‘Als de ouders weinig van hun kinderen verwachten, doe dat dan in elk geval wel als school’, zegt Jan Willem Swane van de Inspectie. Anne-Luc van der Vegt van onderwijsadviesbureau Sardes is voorzichtiger. ‘Voor een school is het heel erg moeilijk om ouders mee te krijgen.’
Van der Vegt begeleidt het project Spraakmakend, dat taalachterstanden bij kinderen tot vier jaar tracht te voorkomen in Oost-Groningen. ‘De clichés kloppen. Er wordt weinig gesproken en niet gelezen. Het wordt niet vanzelfsprekend gevonden om naar het vwo te gaan en te studeren. Soms zijn de ouders ook bang dat de kinderen zich van hen zullen vervreemden. Onbegrijpelijk is het niet, want er is in de regio weinig werk voor hoogopgeleiden. Dus wat moet je er ook met je havo-diploma’, aldus Van der Vegt.
Onbewust nemen de leerkrachten dat lage verwachtingspatroon over van de ouders, vermoedt onderwijsadviseur kwaliteitszorg Marie Balvert van Cedin in Leeuwarden. ‘Bijvoorbeeld door kinderen makkelijkere vragen te stellen. Misschien goedbedoeld, maar die kinderen worden zo ook niet uitgedaagd om beter te worden.’
Blijft de vraag of de economische situatie van invloed is op het niveau van de leerkrachten. ‘Dat heeft er niets mee te maken’, zegt Swane van de inspectie.’ Toch wel, beweert Paul Jungbluth, onderwijsonderzoeker aan de Universiteit van Maastricht. ‘Een school kleurt mee met zijn omgeving. De inspectie beoordeelt scholen bijna alsof ze in een neutrale omgeving staan. De inspectie heeft maar beperkte informatie over die omgeving. Ze ziet alleen hoeveel gewogen leerlingen (die extra begeleiding nodig hebben) de school heeft, maar niet of de armoede toeneemt of hoeveel eenoudergezinnen er zijn. Die accumulatie van achterstandsfactoren heeft de inspectie niet in beeld.’
De vergelijking met andere scholen loopt vaak mank, vindt ook Marie Balvert. Scholen met weinig kansarme leerlingen worden met elkaar vergeleken. Maar binnen die groep zit veel niveauverschil, klagen tal van schooldirecteuren die Balvert begeleidt. ‘Zo worden kinderen die net niet binnen de weging vallen, over een kam geschoren met kinderen die heel goed leren. Juist in Noord-Nederland wonen veel van die net-niet-gewogen leerlingen. Eigenlijk zou er binnen die groep een extra differentiatie moeten komen.’
De combinatieklassen spelen ook een rol. In deze vorm van onderwijs moet de leerkracht de aandacht verdelen, terwijl hij dat lang niet altijd aankan. Omdat Noord-Nederland veel dunbevolkt platteland heeft, zijn er veel combinatieklassen.
Balvert: ‘Twee groepen tegelijk is te doen, drie wordt moeilijker. Vier is schier onmogelijk.’ Scholen samenvoegen, is nauwelijks een optie, omdat de volgende school vaak kilometers verderop ligt. ‘Dat blijft een onoverkomelijk dilemma.’
Volkskrant, 17 februari 2009
9701 BM Groningen
06-54 28 33 46
karin@karinsitalsing.nl